„Geen donut? Een Berlijnse bol dan”, zegt ze enthousiast. Nog iets? Koffie voor mij en kruidenthee voor haar natuurlijk. Die Berlijnse bol lag nog niet op het bord maar de man staarde naar mijn dochter en zei: „Jij bent zoals ik. Ik ben zoals jij.”

Hoezo, dacht ik. Dochterlief bleef rustig maar pakte instinctief mijn hand. De man ging door: „Ik ben een mix van zwart en wit, zoals jij. Congo en België. Wat is het andere land waar jij vandaan komt?”

’Structureel racisme’

„Burkina Faso”, antwoordde ik meteen voor mijn dochter, die snel van haar Berlijnse bol wilde genieten. Het was erg warm en ik wilde zo graag in de schaduw gaan zitten. We hadden voor de tearoom een vrij tafeltje voor twee gezien in deze prachtige Vlaamse stad. Niet zo mooi als Antwerpen of Brugge maar het had een brug en een rivier, prachtige kerktoren en we hadden elkaar. Gezellig.

De man ging door. „Wij zijn hetzelfde.”

Hij vertelde over zijn leven als gemengd kind, destijds de enige in het Vlaamse dorp waar hij opgroeide, en hoe lief iedereen was tegen hem. Maar steeds als hij naar een ander dorp ging, botste hij tegen de muur van structureel racisme die vandaag nog veel erger is en zelfs de norm is.

„Wij krijgen geen kansen. Ik ben 64 en ik weet dat”, zei de man. Ons laat ontbijt werd een hele klus. „Dat structureel racisme verlamt mensen zoals wij.” Ik maakte ook plots deel uit van de discussie, oh nee de monoloog bedoel ik, die hij startte onder gemengde mensen.

We waren geduldig en beleefd want de man was veel ouder dan wij en wij wilden gewoon ons eten en een tafel buiten. Ik keek hem suf aan. „Kan ik nu betalen?” Nee, dat kon allemaal later. We bleven kalm en luisterden gechoqueerd naar de onzin over structureel racisme en het feit dat we geen kans hebben.

Dat de Vlamingen individueel vriendelijk zijn maar dat het oppervlakkig is. „En jij, jij bent zoals ik”, zei hij nog een keer tegen mijn dochter die niet alleen meer mijn hand subtiel vasthield maar ook onder mijn arm kroop. Haar lichaamstaal zei ’nee, ik ben ook gemengd maar wij zijn niet hetzelfde. Ik ben ik’.

Ik voelde me verbaasd en greep in. Het was te warm. Wij gingen buiten wachten aan tafel. Daar keken wij naar elkaar met de mond open. Wat bezielde die man?

Wij hebben kansen, wij grijpen die. Ja, en wij wilden gewoon een donut of zo. Een simpel ontbijtje eten was nog nooit zo vermoeiend geweest. Even later kwam onze bestelling aan en ik betaalde. De zin was ons intussen vergaan want omdat we ongeveer dezelfde kleur hebben, was het heel intiem geworden met slachtofferpraat.

Slachtofferindustrie

Ik kan wel begrijpen dat gemengde kinderen in het verre verleden vreselijke dingen meegemaakt hebben en dat verfoei ik ook. Maar vandaag ligt de toekomst voor ons. Ik heb het gehad met de slachtofferindustrie die nu floreert en dat soort praatjes die met een megafoon verspreid wordt in jonge geesten die alle potentieel en kansen hebben om te groeien in onze mooie samenleving.

Je wordt ofwel haast gedwongen door de wokisten om slachtoffer te zijn ofwel door sommige anti-wokisten om niet te goed te integreren.

Ik wil jonge mensen vooral laten zien, ongeacht hun kleur, hun achtergrond, hun economische situatie, dat als je de kansen grijpt, als je ze achtervolgt en beetneemt, dat dan the sky the limit is. Dat is een boodschap die ik als moeder gaf.

Onderwijs en hard werken

Ik heb mijn kind niet opgevoed om een slachtoffer te zijn. Onze kinderen alleen maar vertellen dat de samenleving tegen hen is, dat ze worden uitgesloten en geen kans hebben, helpt hen echt niet vooruit. Zelf had ik in de samenleving waarin ik opgroeide echt geen kans als meisje. Van mijn ouders leerde ik toch de grootste kans die voor me lag te grijpen: onderwijs en hard blijven werken.

Het is wat ik dacht toen wij gisteren uit de zaak vertrokken, bang dat we waren dat het gesprek opnieuw zou beginnen. Letterlijk weggelopen. De helft van de Berlijnse bol is opgegeten door mijn bijna 16-jarige compagnon de route. Ikzelf kreeg niets binnen. De zin was ons vergaan.

Tien minuutjes verderop zaten we wel anoniem, in een tearoom genaamd ’Lief’. Daar kon het niemand schelen wat onze kleuren zijn en wat mijn naam is. Ik hield mijn pet op, het enige dat ik gênant vind. We genoten hier van alles en onze dag was gered. De ober was blank en het interesseerde hem geen bal of wij al dan niet hetzelfde zijn. Ironisch genoeg. Maar in feite voelde ik mij meer hetzelfde als die ober.

Each of us was just minding their own business.

Dit was de achtenveertigste column van Assita Kanko voor De Telegraaf.

www.telegraaf.nl